Inleiding

De eerste ridders woonden in kastelen van hout. Eigenlijk waren het niet meer dan hoge houten huizen op palen, met een stevig hek eromheen. Het hek bestond uit palen met scherpe punten, zodat niemand eroverheen kon klimmen, en heette een pallisade. De toren in het midden noemt men een donjon. Kastelen werden vaak op heuvels gebouwd. Het uitzicht was namelijk belangrijk: je moest de vijand al van ver zien aankomen. Soms werd een heuvel aangelegd, om het kasteel op bouwen.
Vanaf het jaar 1200 werden kastelen van steen gemaakt, omdat de houten kastelen te snel in brand vlogen. Dat was in die tijd een heel karwei en het duurde jaren. Er waren veel mensen nodig om een kasteel te bouwen. Je had slootgravers, steenhouwers, metselaars, timmerlieden en mensen die gespecialiseerd waren in het aanleggen van een waterput. Het duurde zeker twee tot vier jaar om een kasteel te bouwen. Bij hele grote kastelen kon het zelfs tien tot twintig jaar duren voordat alles klaar was. Vele bouwmaterialen van nu, waren er toen nog natuurlijk nog niet.

Een kasteel als verdediging

Veel kastelen werden op een heuvel of een ander hoog punt gebouwd, zodat men een goed uitzicht had over de omgeving. Dit was zeker belangrijk als vijanden het kasteel wilden bestormen. Het kasteel werd zo gebouwd, dat de vijand er niet binnen kon komen. Aan de buitenkant hoge, dikke muren. Rondom een diepe gracht. De ophaalbrug voor de poort kon omhoog, zodat er niemand overheen naar binnen kon. Maar… er kon dan ook niemand naar buiten!

De vijand kon een kasteel dus belegeren. Hij lette er dan met zijn soldaten heel goed op dat niemand het kasteel verliet. Een belegering kon weken, soms maanden duren. Op een gegeven moment waren alle voorraden voedsel op. Dan moest de kasteelheer zich wel gewonnen geven, anders zou iedereen verhongeren.

In het kasteel waren slimme dingen bedacht om de vijand dwars te zitten. Op onverwachte plekken zaten valluiken. Je raadt het al: wie erop ging staan, duikelde zo de diepte in. Het valhek bij de ingang van het kasteel kon worden neergelaten via gleuven in de muur. Wenteltrapjes in een kasteel waren met opzet smal en donker gemaakt. Als een vijand naar boven wilde, dan had hij maar heel weinig ruimte om te vechten. De trapjes draaiden altijd rechtsom. De ridder had zijn rechterhand nodig om niet naar beneden te vallen. Maar met diezelfde hand moest hij meestal ook zijn wapen vasthouden. De verdedigende ridder had het makkelijker: die kon van-boven-naar-beneden vechten.

Als er gevaar dreigde werd het poortgebouw van het kasteel dag en nacht bewaakt door soldaten. Die soldaten hadden het recht om alle karren en manden te doorzoeken en vreemde mensen te ondervragen.

Dan had je nog een barbacane, dit was een ommuurd terrein vóór het binnenste poortgebouw. Kwam je daar als vijand terecht, dan werd je door iedereen onder vuur genomen.

Langs de bovenrand van de muur had je kantelen. Kantelen waren stukken muur waarachter men zich kon verschuilen voor de vijand. Daar tussen waren openingen gelaten waardoor je de vijand onder vuur kon nemen. Deze openingen konden worden afgesloten met een houten luik.

Boven in de torens had je hordijzen (zie afbeelding links). Deze hordijzen werden aan de bovenrand van de muur langs de kantelen bevestigd. Door gaten in de bodem kon je de vijanden die beneden waren schieten of ondergooien met pek. Mochten de torens van het kasteel dan toch door de vijand bestookt worden, meestal deden ze dat met vuurpijlen, dan dekte men de houten verdedigingswerken af met natte dierenhuiden.

Kastelen werden na 1300 steeds mooier en groter. Het wonen was soms belangrijker dan het verdedigen. Hoe rijker de ridder, hoe mooier het kasteel. Soms had een kasteel zelfs een eigen kerk (kapel).

Ridders door de eeuwen  *  Harnas en wapensHoe werd je ridder?  *

Ridderpak en schild zelf maken  *   Kastelen

Kastelen

Beginpagina

Meer thema's